tijdelijke nood

Zijn poten wilde hem niet dragen,
Hij deed zijn best met zijn vleugels uitgeslagen.
Driftig vloog hij zijn rondjes mee,
Terwijl de andere aten vloog hij alleen.

Uitgehongerd en op sterven na dood,
Lande hij nog net niet op mijn schoot.
Met liefde begon ik mijn brood te delen,
Ik zag geen kans zijn poten te helen.

Dagelijks op dezelfde plek en tijd,
Probeerde ik met voeden hem te helpen in zijn strijd.
Vertrouwen is langzaam gegroeid,
Per dag is hij een stukje opgebloeid.

Nu kan hij op zijn pootjes staan,
Zelfs een paar stapjes zetten in zijn bestaan.
Hulp heeft hij nog steeds nodig,
Brood en vis nog steeds niet overbodig.

Gelukkig leeft hij nog steeds,
Als de fenix die uit zijn as verrees.
Ooit heeft hij geen hulp meer nodig,
En zijn wij als mens weer overbodig.
J.H.